Vroeger, het kan bijna niet oubolliger of clichématiger klinken dan dat, werden we opgeleid om gedegen wetenschappelijk onderzoek te doen. Eerst moest er diep en hard nagedacht worden over een theorie. Of die nu zinnig leek of niet, was niet zo van belang. Je kon bijvoorbeeld heel goed als theoretisch uitgangspunt hebben dat vrouwen om een aantal, in jouw ogen niet arbitraire, redenen zwakke wezens zijn die nu eenmaal slechter tegen stress kunnen. Je schrijft die redenen, of vermoedens, want meer zijn het nog niet, keurig op.

Zo op het eerste oog een prima model, intuïtief in de wereld om je heen zichtbaar. Niks mis mee. Dat was de theorie. Dan kwam de volgende stap, en die kan ik niet hard genoeg benadrukken, dat je alles op alles ging zetten om te bedenken waarom die theorie onzin zou zijn. Dit is een fundamentele stap in goede wetenschap. Zonder die stap ga je doen wat ik verderop in deze bijdrage zal bespreken.

Waarom moet je dat eigenlijk doen? Dat proberen te bewijzen dat je theorie niet klopt? Dat falsificeren? Simpel! Hoe moeilijker het is om je theorie te weerleggen, hoe aannemelijker je theorie begint te worden. Wat nog steeds nooit wil zeggen dat je theorie waar is, overigens; je theorie wordt slechts waarschijnlijker. Goed onderzoek is hier van het grootste belang.

In de tweede stap had je allemaal alternatieve verklaringen bedacht voor eventuele verwachte onderzoeksresultaten. Elke alternatieve verklaring die plausibel lijkt in zo’n onderzoek, dwingt je om een betere opzet te bedenken waarin steeds minder alternatieve verklaringen overblijven. Zo toetste je stap voor stap of je ideeën over de zwakzinnigheid van de vrouw wel klopten.

Jaren gedegen onderzoek heeft aangetoond dat die theorie steeds onwaarschijnlijker lijkt te worden, weten we inmiddels. Verder weten we eigenlijk nog steeds niet zoveel over de verschillen en of ze überhaupt bestaan. Ik neig er zelf naar te stellen dat er in het geheel geen verschillen zijn, aangezien er nergens echt significant overeind blijvende bewijzen zijn gevonden dat vrouwen ‘anders’ zijn dan mannen, anders dan de door culturen bedachte verschillen in positie, die worden opgetuigd met biologische wortels.

Zelfrapportage
De laatste jaren valt het mij op dat het ene na het andere ‘onderzoek’ wordt gepubliceerd waarin stellige waarheden worden verkondigd. Dat varieert van ‘minder ziek door dagelijks koud afdouchen’(1) tot ‘pijn verklaart verschillen in brein van chronisch vermoeide patiënten’(2), om het tot ziek en zeer te beperken. Typische voorbeelden van veronderstelde causale verbanden zonder theoretische onderbouwing of gedegen onderzoek.

Verontrustend is dat zelfrapportages als serieus wetenschappelijk instrument worden ingezet. En dat gebeurt steeds vaker. De reden dat ik nu in de pen klim, komt voort uit mijn boosheid enige tijd geleden over het artikel dat vrouwelijke managers gevoeliger voor Burn-out zouden zijn dan hun mannelijke collegae(3). Hierin is duidelijk aan geen van de voornoemde voorwaarden – theorie, hypothese, alternatieve verklaring, nieuwe opzet – voor goed onderzoek voldaan. Er is hier slechts op basis van een aantal (culturele) vooroordelen wetenschap bedreven. Nergens is voor cultural bias gecontroleerd. Dat kan ook helemaal niet met zelfrapportages. Immers, de ultieme culturele bias! Let wel, dit onderzoek is door alom gerespecteerde instituten als het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Instituut voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) uitgevoerd!

Het is het zoveelste onderzoek dat vrouwen in een negatief daglicht zet. Dit keer zijn de vrouwelijke managers aan de beurt. Je mag van instituten als het CBS en TNO toch een wat meer genuanceerde en wetenschappelijk verantwoorde interpretatie van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) verwachten. Hun ‘feitjes’ over 2015: 14% van de vrouwelijke leidinggevenden meldt burn-outklachten; ‘slechts’ 10% mannen. Verder voelt 29% van de vrouwen zich regelmatig leeg aan het einde van de dag; 17% voelt zich regelmatig emotioneel uitgeput. Bij mannen lagen deze percentages 4 à 5 punten lager. Let wel: dit zijn zelfrapportages!

Vier nieuwe factoren
Dan komen de onderzoekers met een hele rits factoren die burn-out veroorzaken. Dat zijn factoren die ze ooit zelf eerder hebben bedacht. Sorry: gevonden! Hoge werkdruk; hoge druk; het niet zelf kunnen bepalen van verlof en werktijden; gebrek aan autonomie in ‘vrouwelijke’ beroepen.

Let ook hier goed op: het is volledig op het conto geschreven van de aanname dat vrouwen op dat vlak gevoeliger zijn. Lees: zwak!

En er komen nog vier ‘nieuwe’ redenen bij. Zeg maar open deuren, vooroordelen, etc. Deze komen uit de koker van twee vrouwen: Errica Moustaki, carrièrecoach bij Careers in Depth (London) en Anne Devereux-Mills, CSO bij Lantern (Silicon Valley). De laatste doet iets met gedragstherapie. Wat zijn die factoren?

#1 Vrouwen ervaren niet per se meer stress, maar drukken dat anders uit. Vrouwen uiten hun stress op een psychologische en gedragstypische manier, terwijl mannen stress oppotten en wegdrukken. Het gevolg: meer hartaanvallen onder mannen met stressvolle banen, meer burn-out onder vrouwelijke managers.

Net in een tijd dat het aantal hartaanvallen bij vrouwen hard aan het stijgen is, worden ze nu dus dubbel gepakt. Wat een zwak geslacht! Er is echter geen enkel onderzoek dat dit soort aannames ondersteunt. Behalve wanneer je onderzoek baseert op zelfrapportage. Je krijgt dan door cultuur bevestigde vooroordelen. Dit is dus volkomen uit de lucht gegrepen!

#2 Vrouwen ervaren extra druk van mannelijke collega’s. Vrouwen hebben te lijden onder bewijsdruk van mannelijke collega’s. Vooral in de financiële sector zouden vrouwen constant het gevoel hebben dat hun vertrouwen wordt ondermijnd door hun mannelijke collega’s.

Daar is-ie weer: het glazen plafond! Ook hier geldt: er is geen enkel onderzoek dat dit ondersteunt. Vrouwen moeten gewoon net zo hard werken als mannen om ergens te komen. Elke nieuweling zonder netwerk in een organisatie moet zich het schompes werken om ergens te komen. Netwerken werken in de praktijk even goed voor mannen én vrouwen. Ook in deze aanname worden vrouwen weer stereotiep weggezet als te ondersteunen zwakke wichten. Erg jammer en ook zo naast waar het bij burn-out over gaat – daarover later nog meer.

#3 Vrouwen nemen meer verantwoordelijkheden op het werk, terwijl die van het huishouden gelijk blijven. Soms verdriedubbelt het aantal verantwoordelijkheden voor deze vrouwen. Dat is een enorme stressfactor.

Hier hebben we te maken met het stereotiep dat de man met een carrièrevrouw niets doet en dat de arme vrouw alles op zich moet nemen. Als het al zo is dat vrouwen de taakverdeling thuis niet op orde hebben, zegt dat meer over hun manier van communiceren en delegeren dan over de realiteit van de tussen-geslachtelijke verschillen. En ook al zo’n vooroordeel is dat vrouwen op het werk meer verantwoordelijkheden nemen dan mannen. Hoezo? Waar is dat op gebaseerd?

#4 Vrouwen zijn zoekende naar hun positie. Vrouwen ervaren stress doordat ze nog altijd zoekende zijn naar hun natuurlijke positie binnen de door mannen gedomineerde bedrijfsvoering. Dit is terug te zien op het moment dat een bedrijf moet bezuinigen. Vrouwen delven dan vaak het onderspit omdat mannen buiten werktijd om een betere klik met hun baas hebben kunnen maken, terwijl de vrouwen zich om eerdergenoemde verantwoordelijkheden als kinderen of een huishouden moesten ontfermen.

Arme vrouwen. Veertig jaar emancipatie heeft nog steeds niets opgeleverd. Ze moet nog steeds, ook als CEO, koffie halen en de stoute mannen nemen haar nog steeds niet serieus. En ze wil ook al niet mee met haar baas naar de stripclub om leuk te bonden. Omdat ze thuis nog moet stofzuigen en omdat mannen onder elkaar het nu eenmaal gezelliger hebben dan met haar erbij.

Onder welke steen komen deze onderzoekers vandaan? Het is lang geleden dat ik in één artikel – overigens, de schuingedrukte stukken zijn letterlijk overgenomen uit een artikel van Re-employ (4) – zoveel stereotypen voorbij heb zien komen. Alsof we weer in de jaren tachtig van de vorige eeuw zitten.

Besluit
Zelfrapportage is een slechte meter voor burn-out. Persoonlijkheidskenmerken zijn een veel betere voorspeller van burn-out. Ja-zeggen-niet-nee-zeggen, perfectionistisch, controlegericht, rechtlijnig in opvattingen en bovenmatig betrokken: dat zijn de voorspellers van een burn-out zoals wij die al twintig jaar in de praktijk vinden. En die komen bij zowel mannen als vrouwen evenveel voor.

Er zijn weliswaar beroepen waarin je meer mensen aantreft met deze kenmerken, met name de eerste en de laatste, maar dat staat los van geslacht. Het heeft te maken met het soort werk en het type mens dat zich tot dat vak voelt aangetrokken.

Wanneer houden we eens op met het onderscheid maken op basis van geslacht bij mentale factoren? De feiten die hier gepresenteerd worden, zijn gebaseerd op zelfrapportage, dus cultureel ge-biased, en perceptiefouten van mensen. Niet meer en niet minder. Burn-out komt onder beide geslachten min of meer gelijk voor. Het verschil tussen mannen en vrouwen is op dat vlak te verwaarlozen. Als er al verschillen zijn kun je die vrijwel altijd terugvoeren op culturele aannames.

En van dat laatste mag ik toch bidden dat we daar inmiddels overheen gegroeid zijn!

(1) https://www.amc.nl/web/Het-AMC/Nieuws/Nieuwsoverzicht/Nieuws/Koud-douchen-leidt-tot-minder-ziekteverzuim.htm
(2) https://www.nationalezorggids.nl/ziekenhuizen/nieuws/33864-pijn-verklaart-verschillen-in-brein-van-chronisch-vermoeide-patienten.html
(3) Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2015. Methodologie en globale resultaten; Hooftman, W.E. · Mars, G.M.J. · Janssen, B. · Vroome, E.M.M. de · Michiels, J.E.M. · Bossche, S.N.J. van den)
(4) http://re-employ.nl/waarom-vrouwelijke-managers-meer-stress-hebben/

Bewaren